Betekenis van het afkoppelingsbeleid voor P-bedrijven
na de recente aanpassing van 4 juli 2003

Marleen Vande Woestyne & Stefaan Deboosere (Milieu & Bedrijf, 2003)


Inleiding

Met het afkoppelingsbeleid wil de overheid de grote bedrijven aanzetten tot zoveel mogelijk zelf zuiveren van hun bedrijfsafvalwater. Lozing van bedrijfsafvalwater op riool met zuivering in de RWZI’s is in principe beperkt tot kleine bedrijven. De omzendbrief van 21 november 2001 licht de verschillende criteria toe waaraan bedrijven zullen moeten voldoen om in de toekomst nog op riool te kunnen lozen en/of de zuivering van hun bedrijfsafvalwater door de RWZI’s te laten gebeuren. Het afkoppelingsbeleid wordt verder toegelicht in de omzendbrief van 4 juli 2003, welke beschouwd wordt als een aanvulling bij de eerste omzendbrief (BS 25/7/2003). In onderstaand artikel worden de belangrijkste aspecten van het afkoppelingsbeleid op basis van beide omzendbrieven samengevat.

Welke informatie vindt men in de omzendbrieven m.b.t. het afkoppelingsbeleid?

‘De omzendbrief m.b.t. de beoordeling van de verenigbaarheid van de lozing van bedrijfsafvalwater op de openbare riolering met de beleidsaanpak inzake RWZI-exploitatie’ van 21 november 2001 (BS 14/12/2001) omvat duidelijke criteria waaraan een bedrijf moet voldoen om, bij o.a. een nieuwe vergunningsaanvraag of tussentijdse vergunningenevaluatie, de vergunning tot het lozen van bedrijfsafvalwater op het openbaar rioleringsstelsel te kunnen bekomen of behouden. De volledige tekst kan gedownload worden van op de website van de VMM (http:/www.vmm.be).

Om de aanpak op een gestructureerde wijze te organiseren werd het begrip P-bedrijf ingevoerd. P staat voor ‘prioritair’. P-bedrijven kunnen omschreven worden als grotere ondernemingen met een relevante impact op de kwaliteit van het oppervlaktewater en op de belasting van de RWZI’s.

Globaal genomen kan gesteld worden dat de meeste P-bedrijven verplicht zullen worden over te gaan tot afkoppeling van riool en in te staan voor de volledige zuivering van hun bedrijfsafvalwater. De zuivering kan zowel gebeuren in een bedrijfsgebonden zuiveringsinstallatie, als in een gezamenlijke industriële waterzuivering met lozing op een geschikt oppervlaktewater. Hierbij worden volgende richtinggevende effluentnormen gehanteerd:

BZV < 25 mg/l
CZV < 125 mg/l
ZS < 60 mg/l
N < 15 mg/l
P < 2 mg/l

Indien geen oppervlaktewater in de onmiddellijke buurt of geen RWA-riolering aanwezig is, kan in eerste instantie de betrokken gemeente of beheersinstantie van het desbetreffende industrieterrein aangesproken worden gezien zij gehouden zijn aan de uitvoering van de Vlarem-bepaling ‘afkoppeling van hemelwater van de RWZI’s’. Indien deze instanties in gebreke blijven, kan beroep gedaan worden op de N.V. Aquafin. De N.V. Aquafin kan, na goedkeuring van het aanvraagdossier, overgaan tot de aanleg van de leidingen maar zal dit wel doen ten laste van deelnemende partijen.

Voor bepaalde P-bedrijven zijn er, in functie van o.a. de kwaliteit van hun bedrijsafvalwater en de zuiveringscapaciteit van de desbetreffende RWZI, alternatieve oplossingen mogelijk waardoor het afvalwater toch in de RWZI gezuiverd kan worden. De contractmogelijkheden en algemene criteria waaraan voldaan moet worden, worden in de eerste omzendbrief vermeld en zijn verder uitgewerkt in de tweede omzendbrief.

Een niet P-bedrijf heeft in principe de keuze om hetzij het bedrijfsafvalwater te lozen op riool, hetzij zelf in te staan voor de waterzuivering, op voorwaarde dat o.a. de samenstelling van het afvalwater vergelijkbaar is met die van huishoudelijk afvalwater. Deze voorwaarde impliceert dat lozing op riool na een beperkte voorzuivering van het bedrijfsafvalwater aanvaardbaar is voor zover de samenstelling nog steeds gunstig is voor een verdere biologische behandeling in de RWZI. Vandaar dat ook in de vergunning van niet P-bedrijven progressief de verhouding BZV/CZV/N/P van de algemene basiscriteria voor lozing op riool zal opgenomen worden:

BZV/CZV > 0,25
BZV/N > 4
BZV/P > 25

Wanneer wordt een bedrijf als P-bedrijf beschouwd?

Een bedrijf wordt als prioritair of P-bedrijf beschouwd indien het beantwoordt aan minstens één van volgende criteria:

De lijst van de P-bedrijven is consulteerbaar op de website van de VMM (http:/www.vmm.be) en Aminal (http:/www.mina.vlaanderen.be) en wordt regelmatig geactualiseerd. Eveneens op de website van Aminal kan de lijst van de IPPC of GPBV-bedrijven (Geďntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging) geraadpleegd worden.

Onder welke voorwaarden kan voor een P-bedrijf een uitzondering op de verplichting om over te gaan tot zelfzuivering toegestaan worden?

Voor P-bedrijven kan onder strikte voorwaarden toch lozing op riool toegestaan worden. Dit wordt bepaald door een uitgebreide evaluatie op basis van onderstaande criteria:

1) de basiscriteria voor lozing op riool

2) criteria m.b.t. concentratie BZV

3) beschikbaarheid RWZI-zuiveringscapaciteit

opmerking: tijdelijke restcapaciteit van de RWZI kan in bepaalde gevallen aanleiding geven tot tijdelijke vergunning voor lozing op riool als overgangstermijn voor het bedrijf voor het realiseren van de volledige afkoppeling

Aan de basiscriteria voor lozing op riool (1.) dient onvoorwaardelijk voldaan te worden wil men als P-bedrijf toch in aanmerking kunnen komen voor een alternatieve oplossing met zuivering in de RWZI.

Voor wat de andere criteria betreft (2. t.e.m. 3.), zijn er afhankelijk van de concrete situatie, een aantal mogelijkheden welke in overleg met de betrokken partijen uitgewerkt dienen te worden. Hieronder valt o.a. de mogelijkheid om als bedrijf of groep van belanghebbenden, een contract met Aquafin af te sluiten:

De voorwaarden voor contracten inzake valoriseerbare afvalwaterstromen en uitbreiding RWZI capaciteit zijn opgenomen in de omzendbrief van 21 november 2001. Het contract complementaire afvalwaters is van recentere datum en is uitgewerkt in de omzendbrief van 4 juli 2003.

Wat wordt verstaan onder ‘contract complementaire afvalwaters’ ?

In feite wordt onder de noemer ‘contract complementaire afvalwaters’, de in de eerste omzendbrief opgenomen contractmogelijkheden voor valoriseerbare afvalwaterstromen verder uitgewerkt en gespecifieerd. Het betreft een alternatieve oplossing waarbij geconcentreerde afvalwaterstromen (BZV > 500 mg/l) in de RWZI’s verwerkt kunnen worden op voorwaarde dat ze biologisch een zeer goede samenstelling hebben en een positieve invloed hebben op de werking van de RWZI. De gunstige samenstelling wordt getoetst op basis van onderstaande verhoudingen:

De andere voorwaarden inzake gevaarlijke stoffen, ecologisch transport, beschikbaarheid capaciteit RWZI, e.d. blijven gelden.

In tegenstelling met de richtlijnen inzake contractmogelijkheden opgenomen in de omzendbrief van 21 november 2001, zijn er voor complementaire afvalwaters in de omzendbrief van 4 juli 2003 eveneens richtlijnen uitgewerkt betreffende de financiële regeling. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat het P-bedrijf onverminderd de heffingsbijdrage blijft betalen en tevens alle kosten voor het verzekeren van een ecologische aanvoer prefinanciert. Er is echter wel een terugbetaling voorzien van een deel van de kosten voor het aanleggen van de openbare leiding buiten het bedrijfsterrein. De terugbetaling is gebaseerd op het verschil tussen de betaalde heffing en de reële integrale verwerkingskost op de RWZI gedurende een periode van minimaal 7 en maximaal 15 jaar (onafhankelijk van het over deze periode terugbetaald bedrag).

Wanneer kan aan een niet P-bedrijf toch het lozen op riool ontzegd worden?

Zoals eerder gesteld kan een niet P-bedrijf in principe enkel lozen op riool indien de samenstelling van het bedrijfsafvalwater (rechtstreeks of na een beperkte voorzuivering) vergelijkbaar is met huishoudelijk afvalwater en bijgevolg voldoet aan de vooropgestelde verhouding BZV/CZV/N/P.

In sommige gevallen echter kan het afvalwater van niet P-bedrijven ook ongeschikt zijn om op de openbare riolering te worden geloosd omdat :

Welke is de uiterste datum voor het uitvoeren van de noodzakelijke afkoppeling?

De noodzakelijke afkoppeling van bedrijven wordt georganiseerd op basis van overleg tussen de bevoegde administraties (VMM en AMV) en het bedrijf/bedrijven waarbij per concreet geval, een realistische termijn afgesproken wordt. Bij het vooropstellen van deze termijn wordt o.a. rekening gehouden met:

ADOPA

Om de richtlijnen van het afkoppelingsbeleid in uitvoering te kunnen brengen, werd de ADOPA of ADministratieve OPvolgingscommissie Afvalwater opgericht.

Deze commissie bestaat uit vertegenwoordigers van o.a. de VMM, de N.V. Aquafin, het provinciaal beleidsniveau en het gemeentelijk beleidsniveau met verantwoordelijken inzake riolering, het ruimtelijk- en vergunningsbeleid.

ADOPA moet instaan voor een uniforme beoordeling inzake de verenigbaarheid van bedrijfsafvalwater met de beleidsaanpak en doelstellingen van de openbare WZI’s en rekening houdend met het algemeen afvalwaterbeleid waarbij gestreefd wordt naar een verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater.