Bepalingen voor de opslag van gevaarlijke producten
Jan Gruwez & Stefaan Deboosere (Milieutechnologie, 2000)
Vorig jaar werden een aantal wijzigingen aangebracht aan Vlarem II betreffende de voorwaarden voor de opslag van gevaarlijke producten. Zo werden de voorschriften gebundeld in één hoofdstuk waardoor het geheel een stuk overzichtelijker is geworden. Daarenboven houden de bepalingen nu ook meer rekening met de stand der techniek, de haalbaarheid en de meerwaarde voor het milieu. Gezien het belang van deze wetgeving, en wegens de vele vragen die wij van milieucoördinatoren hieromtrent ontvangen, worden de belangrijkste wijzigingen nog eens samengevat in deze nieuwsbrief.
Toepassingsgebied
Opslag wordt gedefineerd als het stockeren van producten in een hoeveelheid die groter is dan het dagverbruik. Opslag voor korte tijd (bijvoorbeeld in havens) valt niet onder deze bepalingen, tenzij deze kortstondige opslag regelmatig voorkomt. De voorwaarden zijn van toepassing op de opslag van gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen. Dit zijn stoffen die zeer giftig (T+), giftig (T), schadelijk (Xn), corossief (C), irriterend (Xi), explosief (E), oxiderend (O) of milieugevaarlijk (N) zijn. Ook de zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare stoffen (F+/F en P1), ontvlambare vloeistoffen (P2), brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 55°C en 100 °C (P3) en brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 100 °C tot 250 °C (P4) vallen onder deze reglementering.
Indeling producten
Vooreerst kan worden
vermeld er in de herwerkte versie rekening wordt gehouden met het feit dat vele
stoffen of producten meerdere eigenschappen hebben. Voor elke stof met meerdere
eigenschappen (bv. ontvlambaar en schadelijk) gelden de milieuvoorwaarden in
functie van de hoofdeigenschap van de gevaarlijke stof.
Voor de toepassing van de bepalingen uit dit hoofdstuk dient zowel rekening te
worden gehouden met de hoofdeigenschap als met het ontvlammingspunt. Voor de
vloeibare brandstoffen dient enkel met het ontvlammingspunt rekening te worden
gehouden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de EG-etikettering (zwarte symbolen
op oranje achtergrond). Indien verschillende gevarensymbolen zijn vermeld, dient
het meest relevante te worden genomen (zie EG richtlijn 88/379 van 7/6/88).
Indien niet gepreciseerd in deze richtlijn, wordt verwezen naar de ADR wetgeving
(KB 16/9/91, B.S. 18/6/97).
Overeenkomstig de bepalingen uit de vorige versie van Vlarem II diende een
product met twee, drie of vier symbolen ingedeeld te worden in respectievelijk
twee, drie of vier klassen. Dit betekende dat één product meermaals diende te
worden vermeld in het aan te leggen register of in een milieuvergunningsdossier.
Voor de etikettering van tolueen bv. wordt « licht ontvlambaar » en
« schadelijk » voorgeschreven. Voor de opslag van 10 m³ tolueen
dient in de inventaris en in het milieuvergunnings-dossier bijgevolg te worden
vermeld :
Volgens de nieuwe
voorschriften wordt 10 m³ tolueen slechts één keer vermeld, nl. als licht
ontvlambare vloeistof.
Een ander belangrijk verschil in vergelijking met de vorige versie van Vlarem II
is dat P4 producten nu worden gedefinieerd als vloeistoffen met een
ontvlammingspunt van 100 °C tot 250 °C. In het verleden was geen
bovengrenswaarde vermeld.
Tenslotte kan worden opgemerkt dat het onderscheid tussen vaste stoffen en
vloeistoffen ook zal worden bepaald via de dynamische viscositeit waardoor ook
dikvloeibare, pasteuze producten correct kunnen worden ingedeeld.
Informatie
Het informatiebord wordt sterk vereenvoudigd gezien nu enkel nog de volgende gegevens dienen te worden vermeld :
GS-situatieplan
Bij de ingang van het bedrijf dient zich een actueel situatieplan te bevinden in een brandvrije kast die gemakkelijk bereikbaar is voor de hulpdiensten. Op dit plan dient voor alle opslagplaatsen van gevaarlijke producten de nodige informatie te worden vemeld (liggingsplan, chemische en technische benaming, opslagwijze, maximumcapaciteiten, opslagtemperatuur en druk - zie art. 5.17.1.3.§2). Een afwijking daarop (bv. een elektronische databank die 24 uur beschikbaar is op een permanent bemande post) kan worden verleend door de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL. In de vorige versie van Vlarem II was een dergelijke afwijking slechts mogelijk na een uitvoerige procedure en na akkoord van de bevoegde minister.
Register
De hoeveelheid gevaarlijke producten die worden opgeslagen dienen te worden bijgehouden in een register (of alternatieve informatiedrager). Dit register dient gedurende één maand te worden bijgehouden. In de vorige versie van Vlarem II moest de inhoud van het register drie jaar worden bijgehouden. Bovendien moest het register behalve de hierboven vermelde informatie ook vermelden waarin de producten werden verwerkt, aan wie de producten en hoeveel van die producten werden afgestaan (bv. als afvalstoffen).
Omheining
De vorige versie van Vlarem II legde de verplichting op om een 2 m hoge omheining te plaatsen rond opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen of een 2.5 m hoge omheining te plaatsen rond opslagplaatsen met brandbare vloeistoffen. De nieuwe versie vermeldt dat de opslagplaatsen « ontoegankelijk » moeten worden gemaakt voor onbevoegden. Deze eisen zijn uiteraard niet van toepassing op tankstations.
Compartimentering
Producten met een
verschillende hoofdeigenschap moeten gecompartimenteerd worden opgeslagen
(wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen op 1 m hoogte,...). De afstand tussen de compartimenten is vastgelegd in een afstandstabel
waarbij er een aparte tabel geldt voor vloeistoffen (tabel 1) en vaste stoffen
(tabel 2). Bij een gemengde opslag moet de tabel van de vloeistoffen worden
gebruikt. Indien de afstandstabel nul opgeeft, mogen producten met verschillende
eigenschappen in hetzelfde compartiment worden opgeslagen.
Tabel 1. Afstandstabel vloeistoffen (in m)
|
T+/T |
Xn/N |
C |
Xi |
E |
O |
P1/P2 |
P3/P4 |
|
|
T+/T |
- |
0 |
1 |
1 |
5 |
3 |
5 |
2 |
|
Xn/N |
0 |
- |
1 |
0 |
5 |
2 |
1 |
0 |
|
C |
1 |
1 |
- |
0 |
5 |
0 |
1 |
0 |
|
Xi |
1 |
0 |
0 |
- |
5 |
0 |
0 |
0 |
|
E |
5 |
5 |
5 |
5 |
- |
10 |
10 |
5 |
|
O |
3 |
2 |
0 |
0 |
10 |
- |
5 |
5 |
|
P1/P2 |
5 |
1 |
1 |
0 |
10 |
5 |
- |
0 |
|
P3/P4 |
2 |
0 |
0 |
0 |
5 |
5 |
0 |
- |
|
- voor zelfontbranding vatbare
stoffen |
5 |
5 |
5 |
5 |
10 |
10 |
5 |
5 |
|
tank vloeibare inerte
gassen |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
5 |
3 |
|
tank vloeibare zuurstof |
5 |
3 |
3 |
3 |
7.5 |
1 |
5 |
3 |
|
opslag van meer dan
3000 l |
5 |
3 |
2 |
1 |
7.5 |
7.5 |
5 |
3 |
|
limieten eigendom |
5 |
3 |
2 |
1 |
7.5 |
7.5 |
5 |
3 |
Tabel 2.
Afstandstabel vaste stoffen (in m)
|
T+/T |
Xn/N |
C/Xi |
E |
O |
F+/F |
|
|
T+/T |
- |
0 |
1 |
3 |
2 |
2 |
|
Xn/N |
0 |
- |
0 |
3 |
1 |
1 |
|
C/Xi |
1 |
0 |
- |
3 |
0 |
0 |
|
E |
3 |
3 |
3 |
- |
3 |
3 |
|
O |
2 |
1 |
0 |
3 |
- |
3 |
|
F+/F |
2 |
1 |
0 |
3 |
3 |
- |
|
- voor zelfontbranding vatbare
stoffen |
3 |
3 |
3 |
3 |
3 |
3 |
|
tank vloeibare inerte
gassen |
0 |
1 |
1 |
1 |
1 |
3 |
|
tank vloeibare zuurstof |
3 |
3 |
3 |
5 |
0 |
5 |
|
opslag van meer dan
3000 l |
5 |
3 |
1 |
5 |
5 |
5 |
|
limieten eigendom |
3 |
2 |
2 |
5 |
2 |
5 |
De afstand tussen ontvlambare producten en oxidantia geldt voor de opslag van « klasse 3 » hoeveelheiden. Voor hoeveelheden voor klasse 2 en 1 en voor VR-plichtige inrichtingen worden deze afstanden vermenigvuldigd met respectievelijk 2, 3 of 4.
Vaste houders
Globaal kan gesteld worden dat de voorschriften voor de bouw, de plaatsing van beveiligingstoestellen, de signalisatie en de controle van houders, die verplicht waren voor P1- tot P4-producten, worden geëxtrapoleerd naar houders voor andere gevaarlijke producten.
Voor rechtstreeks in de grond ingegraven tanks (ondergrondse houders) zijn de volgende uitvoeringen toegelaten :
Voor tanks opgesteld in een groeve zijn de volgende uitvoeringen toegelaten :
Voor wat betreft het
uitvoeren van controles wordt onderscheid gemaakt per gebied. In een
waterwingebied of beschermingszone dient elk jaar een beperkt onderzoek en om de
10 jaar een algemeen onderzoek te worden uitgevoerd. In andere gebieden worden
deze controles beperkt tot respectievelijk tweejaarlijks en om de 15 jaar. Het
algemeen onderzoek is niet vereist voor kunstoftanks.
Bestaande houders voor andere dan P1- tot P4-producten moeten voor 1/1/2000 aan
een eerste algemeen onderzoek worden onderworpen wanneer ze gelegen zijn in een
waterwingebied of een beschermingszone. Voor tanks die in een ander gebied zijn
gelegen, bedraagt deze termijn 1/1/2003. Deze termijnen werden overigens reeds
vastgelegd in de vorige versie van Vlarem II.
Bovengrondse tanks met gevaarlijke vloeistoffen moeten in een inkuiping worden
geplaatst met minimaal de volgende inhoud :
P1-, P2-, T+, T- en E-producten inhoud grootste tank + 25% van de overige of de helft van alle opgesteld tanks ;
P3-, Xn, O-, C- en N-producten inhoud van de grootste tank ;
P4-producten en extra zware stookolie ondoordringbare vloer met opstaande rand ;
P1- en P2-producten in kelders of lokalen totale inhoud .
Voor gevaarlijke stoffen
die zijn opgeslagen in waterwingebieden en beschermingszones dient de inkuiping
de volledige inhoud van alle houders te omvatten.
Elke drie jaar dient een beperkt onderzoek te worden uitgevoerd ; om de 20
jaar een algemeen onderzoek.
Bestaande houders voor andere dan P1- tot P4-producten moeten voor 1/1/2003 aan
een eerste algemeen onderzoek worden onderworpen wanneer ze gelegen zijn in een
waterwingebied of een beschermingszone. Voor tanks die in een ander gebied zijn
gelegen, bedraagt deze termijn 1/1/2005. Deze termijnen werden overigens reeds
vastgelegd in de vorige versie van Vlarem II.
Verplaatsbare recipiënten
Buiten de waterwingebieden en de beschermingszones moeten verplaatsbare recipiënten met gevaarlijke producten worden opgeslagen op een kuipvormige vloer met de volgende inhoud :
P1-P2 1/4 van de totale inhoud van de opgeslagen producten (of 1/10 als een blusinstallatie werd aangebracht) ;
andere producten 1/10 van de opgeslagen producten.
Binnen waterwingebieden en beschermingszones moeten de recipiënten worden opgeslagen in een inkuiping die de volledige inhoud van de producten kan bevatten.